Spending your own money or someone else’s is a special option in Senegal. My salary is approximately 5% of the so called ‘Balkenende standard’ (named after the Dutch prime minister). Here it is enough to live from. I don’t consider myself a real member of the development industry, in which 180,000 people work. The reason might be that I never wanted to be a member of anything. However deep down I feel some commitment to the ‘Club of 180,000’ because our projects depend for 100% on sponsors from The Netherlands. Senegal doesn’t contribute anything yet. A reason for this is that they don’t know how to help themselves without outside help. Or might these charming Senegalese people be pulling our legs?
In the morning the first question on the minds of street children, beggars and mothers is ‘where can I find some food?’. The Netherlands has taken much better care of this, with for example food banks which can exist because of the fact that much food is leftover. These ‘banks’ could also be a success in Senegal, but only if there would be leftover food somewhere else. Fortunately many Dutch people spend their time ‘begging’ for our projects, making sure that a group of vulnerable children doesn’t need to do this. In other words, they are eating someone else’s money while supervised by a Dutchman. The Senegalese government likes this arrangement! For me the real fun would begin when our projects become an example for other Senegalese people. Eventually they are the owners of the problems and therefore also of the solutions.
The worldwide discussion about development cooperation is a large one. There are hundreds of ways to help, on a small and large scale and everything in between. And to give no aid at all is also an exciting option. I rarely discuss the pros and cons. When a little child falls down hard and needs consolation you help it to stand up. This is a universal way of helping each other. Not to help at all is no option. People who are really able to help are often healthy and doing well for themselves. And with a little bit of luck they are broad up with the notion that sharing is caring and that even monkeys handle this principle.
The Dutch government likes to spend someone else’s money like no other. The budget for development cooperation for 2010 however has been cut in half. To spend the remaining part an enormous civil service is needed. In my eyes Dutch taxpayers with some money left for good will handle things much better. These do-gooders have worked for it themselves and in their spare free time also donate some money. Sustainable entrepreneurs could accompany development projects in a much better way than those civil servants ever could!
andermans geld in Senegal
Translated into Dutch by: william
Het uitgeven van je eigen geld of het geld van anderen is in Senegal een bijzondere kwestie. Ik verdien ongeveer 5% van de Balkenende-norm, maar daar is hier goed van te leven. Echt een lid van de ontwikkelingshulpindustrie, waarin 180.000 mensen werken, voel ik mij niet. Mogelijk omdat ik nooit ergens lid van wilde zijn. Maar diep in mijn hart weet ik dat ik wel een beetje bij die ‘Club van 180.000’ hoor. Onze projecten zijn immers voor 100% afhankelijk van gevers uit Nederland. Senegal doet nog niets in ons potje. Dat komt ook omdat ze hier nog niet zo goed weten hoe ze zichzelf kunnen helpen zonder hulp van buitenaf. Of worden wij voor de gek gehouden door die charmante Senegalezen?
Als de straatkinderen, bedelaars en moeders hier ‘s morgens wakker worden, is hun eerste gedachte ‘waar haal ik eten vandaan?’. Dat is in Nederland beter geregeld. Er zijn zelfs voedselbanken, die kunnen bestaan omdat er veel ‘over’ is. Ook in Senegal zouden die ‘banken’ een succes kunnen worden. Als er tenminste elders voedsel over zou zijn. Gelukkig zijn er veel Nederlanders die voor onze projecten ‘bedelen’. Daardoor hoeft een grote groep kwetsbare kinderen dat niet te doen. Zij eten dus andermans geld op onder leiding van een Nederlander. De Senegalese regering vind het prima zo! Ik vind het pas echt leuk worden, als onze projecten voor andere Senegalezen aanleiding zijn om het ook zo te doen. Zij zijn immers de eigenaar van de problemen, dus ook van de oplossingen.
De wereldwijde discussie over ontwikkelingssamenwerking is zo breed, omdat er honderden manieren zijn om te helpen. Kleinschalig, grootschalig… En helemaal geen hulp geven, is ook een spannende optie. Zelden ga ik in discussie over de voors en tegens. Als een klein kind hard valt en getroost moet worden, help je het op de been. Dat is een universele manier van hulp verlenen. Helemaal niet helpen, is geen optie. Mensen die echt kunnen helpen, zijn vaak gezonde mensen die het goed hebben. En als het een beetje meezit, zijn ze opgegroeid met het besef dat delen met anderen zelfs onder de apen goed is geregeld.
De Nederlandse regering geeft als geen ander andermans geld uit. Het budget voor ontwikkelingssamenwerking is voor 2010 echter gehalveerd. En om dat restant uit te geven, is er een gigantisch ambtenarenapparaat nodig. De Nederlanders die belasting betalen en toch nog wat geld over hebben voor goede doelen, doen het in mijn ogen beter. De goeddoeners hebben er immers zelf voor gewerkt en maken in hun spaarzame vrije tijd ook nog eens centjes over. Ondernemers die duurzaam willen ondernemen, zouden met veel meer kennis van zaken ontwikkelingsprojecten kunnen begeleiden en het zeker beter doen dan die ambtenaren!